Slik, ik ben betrapt
Hurkend concentreert hij zich op het zwarte vlekje op de deur tegenover hem. De deur is een beetje smoezelig. Er staan wat onbeduidende teksten op. Onder de deur kan hij nog net twee zwarte donkere schoenen herkenen. Hij hoort de man ademen en probeert zo min mogelijk geluid te maken. Het is lastig, zijn buik doet vreselijk pijn. Het doet hem denken aan toen hij klein was. Toen had hij eens in een weddenschap wat regenwormen opgegeten. Hij was de stoerste van de klas, maar werd daarna wel flink ziek. Ach, die spannende acties heeft hij nooit helemaal afgeleerd. Het maakt hem tot wie hij is. Zijn klasgenoten kijken tegen hem op; zoveel durf! Waren zij ook maar eens zo spannend!
Het kan hem allemaal even niets meer schelen, zijn lijf doet niet meer mee. Hij schrikt op, er wordt op de deur getikt. “Ja, ja, ik kom al!” roept de jongen gehaast. Hij staat op. Er schieten pijnscheuten door zijn buik. Met een diepe zucht doet hij de deur open. “En?”, vraagt de man. “Niets….”, de jongen kijkt schuldig omhoog. “Ik dacht toch dat ik wat hoorde”, zegt de man argwanend.
De man wilde dat hij een andere baan had. Op dit soort momenten is hij zijn werk helemaal zat. In de lunchpauze hadden zijn collega’s hem al uitgelachen. Niet echt natuurlijk, ze hebben het allemaal moeten doen. Het was nog vroeg, een uur of tien, toen ze de jongen zagen. Het klopte niet. Hij keek te schichtig, was te bleek en te bezweet. Het was overduidelijk; de jongen moest uit de rij. De deur met de gele letters en de tulpen was al zichtbaar. Maar hij had het net niet gered.
In de kamer vroeg de jongen angstig en onschuldig wat er aan de hand was, maar dat toneelstukje viel al snel uiteen. Met zijn 16 jaar was hij geen partij voor de ervaren mannen, zelfs niet in de ochtend. Ergens vond de man het wel lullig voor de jongen, 16 jaar en dan helemaal in zijn eentje met het vliegtuig uit Suriname. Zijn maag vol plastic bolletjes cocaïne. Waarschijnlijk had hij al minstens 12 uur niets meer gegeten. En dan nu hurkend voor hem. En waar waren zijn ouders?
“Kom maar jongen, je had je deze dag waarschijnlijk heel anders voorgesteld. Als het laatste bolletje er uit is, krijg je van mij een lekkere beker romige chocolademelk. Lijkt je dat wat?”
En even… heel even is daar een lichte twinkeling in de ogen van de jongen. Zoals alleen kinderen die naar zorgzame volwassenen kunnen laten zien.









